De glucosesensor

Diabetes Type 1 kan alleen worden behandeld met insuline. Dat kan met een insulinepen op met een pomp. Bespreek met jouw zorgverlener wat bij je past. Wij geven hier vast wat tekst en uitleg over de verschillende methodes en systemen.

De glucosesensor

De glucosesensor plaats je met een applicator op de huid, vaak op de buik of op de onderrug. In de sensor zit een klein naaldje dat in de huid komt. Bij sommige modellen van CGM plaats je de sensor met slechts één klik. Volgens gebruikers is dit zo goed als pijnloos. Door het kleine naaldje onder de huid staat de sensor in contact met het zogenoemde interstitiële vocht dat zich tussen de cellen in de bloedbaan bevindt. Vervolgens meet de sensor de glucosewaarden. De glucosewaarden van de sensor wijken altijd iets af van de bloedglucosewaarden. Dit komt omdat de sensor per 5 minuten de waarde registreert of in sommige gevallen doorgeeft aan de insulinepomp. Afhankelijk van het type CGM kan de glucosesensor tot maximaal zeven dagen blijven zitten. Daarna moet je de sensor vervangen.